woensdag 22 december 2010

De term “inwonerschap” naar nationaal recht hoeft niet samen te vallen met die voor verdragstoepassing

Hof Arnhem heeft in een lange en sterk feitelijke procedure uitspraak gedaan over onder meer de vraag of een man (nog) inwoner was van Nederland en of hij in de jaren 2000 - 2002 in Nederland belastbare inkomsten had genoten. De man was sinds 1983 niet meer in enig bevolkingsregister in Nederland ingeschreven en verbleef afwisselend op diverse adressen in Nederland, Zwitserland en Spanje. In de laatste twee landen had hij de beschikking over een duurzame verblijfplaats in de vorm van een eigen woning en huurwoning. In Spanje betaalde hij belasting over de in dat land verdiende inkomsten als adviseur van een makelaar. Daarnaast was hij directeur-enig aandeelhouder van een Engelse Ltd waarvan het overgrote deel van de werkzaamheden feitelijk in Nederland plaatsvond. Uit de Ltd had de man grote bedragen in contanten opgenomen voor privébestedingen.


De inspecteur legde de man over 2000 – 2002 (navorderings)aanslagen inkomstenbelasting op. Op basis van feiten en omstandigheden was het hof van oordeel dat de man nog voldoende sterke banden met Nederland had om naar nationaal recht nog als inwoner van Nederland te kunnen kwalificeren. Echter volgens het belastingverdrag met Spanje was hij inwoner van Spanje, omdat hij in dat land aan belastingheffing was onderworpen op grond van zijn woonplaats of verblijf aldaar. Dit was weer van invloed op het belastingtarief dat Nederland mocht toepassen op de onttrekkingen van de Ltd. Als hij inwoner van Nederland was geweest, zou Nederland het 25%-aanmerkelijkbelangtarief mogen toepassen. Nu de man inwoner van Spanje was, was de belastingheffing hierover toegewezen aan Spanje, maar mocht Nederland nog wel (maximaal) 15% bronbelasting heffen van het brutobedrag van de dividenden. De 10% minder te berekenen mocht de inspecteur van het hof binnen de vastgestelde belastingaanslag intern compenseren wegens naderhand gebleken ander inkomen.

Bron