dinsdag 18 januari 2011

Hof van Justitie (C-384/10 Voogsgeerd)

Verzoeker is zeeman, woont in Zandvoort/NL en werkt in 2001/2002 voor de Luxemburgse NV Navimer op een schip (ms Regina) op de Noordzee. Hij sluit met Navimer een arbeidscontract met uitdrukkelijke keuze voor Luxemburgs recht. Voor de administratieve verrichtingen meldt verzoeker zich steeds bij het kantoor van Naviglobe te Antwerpen.

Bij het arbeidshof Antwerpen spant verzoeker een zaak aan om een opzeggingsvergoeding te krijgen. Maar het hof wijst de vordering af omdat deze (naar Luxemburgs recht, zoals utdrukkelijk gekozen) verjaard zou zijn. Ook toepassing van het EVO zou tot dezelfde conclusie leiden: de rechtsvordering tot herstel dient binnen drie maanden na de wederrechtelijke verbreking te worden ingesteld. Daarnaast beroept verzoeker zich op een contractuele relatie met de in Antwerpen gevestigde Naviglobe, maar die oefent het werkgeversgezag niet uit.

Verzoeker gaat tegen deze afwijzende beslissing in cassatie. De cassatierechter vraagt zich af of het hof de juiste conclusie heeft getrokken met betrekking tot de relatie van verzoeker met Naviglobe.

De verwijzende Belgische cassatierechter stelt het Hof de volgende vragen:

1. Moet met het land waar zich de vestiging bevindt die de werknemer in dienst heeft genomen in de zin van artikel 6.2 b) van het Verdrag inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst, voor ondertekening opengesteld te Rome op 19 juni 1980, worden verstaan het land waar zich de vestiging van de werkgever bevindt, die volgens de arbeidsovereenkomst de werknemer in dienst heeft genomen, dan wel het land waar zich de vestiging van de werkgever bevindt, waaraan de werknemer voor zijn effectieve tewerkstelling is verbonden, ook al verricht deze zijn arbeid niet gewoonlijk in eenzelfde land?

2. Moet de plaats waar de werknemer, die zijn werk niet gewoonlijk in een zelfde land verricht, zich dient aan te melden en de administratieve onderrichtingen, alsmede de instructies voor het uitvoeren van zijn werkzaamheden ontvangt, te worden aangezien als de plaats van effectieve tewerkstelling in de zin van de eerste vraag?

3. Moet de vestiging van de werkgever waaraan de werknemer voor zijn effectieve tewerkstelling is verbonden in de zin van de eerste vraag, beantwoorden aan bepaalde formele vereisten zoals ondermeer het bezit van rechtspersoonlijkheid of volstaat daartoe het bestaan van een feitelijke vestiging?

4. Kan de vestiging van een andere vennootschap, met wie de vennootschap-werkgever bindingen heeft, dienst doen als vestiging in de zin van de derde vraag, ook al is het werkgeversgezag niet overgedragen aan die andere vennootschap?

Bron