dinsdag 1 februari 2011

Toekomstige alimentatiebetalingen verrekenbaar in box 3

A-G Niessen heeft conclusie genomen in de zaak met nummer 10/00367 naar aanleiding van het beroep in cassatie van de minister van Financiën tegen de uitspraak van de rechtbank te Breda van 11 december 2009, nr. 08/5017, LJN: BK8074. Het geschil betreft de vraag of een alimentatieverplichting als schuld in de zin van artikel 5.3, lid 3, Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001) kan worden aangemerkt.

Belanghebbende is van echt gescheiden en heeft twee kinderen. Hij heeft in het onderhavige jaar alimentatie ten behoeve van zijn voormalige echtgenote en kinderen betaald. Bij de aanslagregeling heeft de inspecteur als persoonsgebonden aftrek de betaalde alimentatie in aftrek toegelaten. In bezwaar heeft belanghebbende verzocht de waarde van de alimentatieverplichting in mindering te brengen op de rendementsgrondslag ter bepaling van zijn inkomen uit sparen en beleggen. Dit verzoek is afgewezen.

Rechtbank Breda heeft het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar gegrond verklaard. In cassatie stelt de minister, kort gezegd, dat de alimentatieverplichting niet als schuld in box 3 in aanmerking kan worden genomen omdat het een uit het familierecht voortvloeiende verplichting is. Naar aanleiding van een arrest van de Hoge Raad van 14 april 1926 werd in de Wet op de vermogensbelasting 1892 (hierna: Wet VB 1892) een bepaling opgenomen op grond waarvan bij het in aanmerking nemen van bezittingen en schulden geen rekening werd gehouden met rechtstreeks uit het familierecht voortvloeiende verplichtingen tot periodieke uitkeringen en verstrekkingen. Deze bepaling werd overgenomen in de Wet op de vermogensbelasting 1964 (hierna: Wet VB 1964). In de Wet IB 2001 is de bepaling - zonder toelichting in de wetsgeschiedenis - niet overgenomen. Volgens de minister dient voor de uitleg van het begrip 'verplichting' in artikel 5.3, lid 3, Wet IB 2001 te worden aangesloten bij de uitleg die aan dat begrip werd gegeven in de Wet VB 1964, en in de Wet VB 1892, nu uit de wetsgeschiedenis niet blijkt dat de wetgever bij de invoering van de Wet IB 2001 op dit punt een wijziging heeft beoogd.

De A-G meent dat het arrest van de Hoge Raad uit 1926 geen betekenis meer heeft voor de uitlegging van de begrippen 'bezittingen' en 'schulden' in de vigerende wet. In dat arrest werd voor het begrip 'vermogen' in de zin van artikel 3 Wet VB 1892 immers aangesloten bij het begrip 'zaak' in het Burgerlijk Wetboek, en daarmee was de familierechtelijke uitkering als vermogen uitgesloten. Echter, bij de totstandkoming van de Wet IB 2001 is medegedeeld dat het begrip vermogensrecht (in artikel 5.3, lid 2, onderdeel f, Wet IB 2001) ruimer is dan het begrip vermogensrecht zoals dat in het Burgerlijk Wetboek wordt gehanteerd. De begrippen bezittingen en schulden onder de Wet IB 2001 vragen derhalve om een eigen - fiscale - uitleg, aldus de A-G. Volgens de A-G kunnen verschillende argumenten worden aangevoerd waarom de alimentatieverplichting niet in box 3 zou moeten worden opgenomen.

Het begrip bezittingen in de Wet IB 2001 is volgens de A-G evenwel uitgebreid in vergelijking met de Wet VB 1964. Dit leidt hij af uit het ontbreken van een uitsluitingsbepaling ten aanzien van (onder meer) rechten op en verplichtingen tot periodieke uitkeringen en verstrekkingen rechtstreeks uit het familierecht voortvloeiende, als in artikel 7 Wet VB 1964 en uit de opname in de Wet IB 2001 van een 'restcategorie' van vermogensrechten. Daarnaast is - zoals reeds opgemerkt - het begrip vermogensrecht in de Wet IB 2001 ruimer dan het begrip vermogensrecht zoals dat in het Burgerlijk Wetboek wordt gehanteerd. Volgens de A-G dient te worden aangenomen dat het schuldbegrip daarmee complementair is en dus een vergelijkbare verruiming heeft ondergaan. Gezien het voorgaande, alsmede gezien het feit dat de Hoge Raad de schuldallocatiebepaling van artikel 2.14, lid 2, wet IB 2001 niet van toepassing heeft geoordeeld op schulden die leiden tot persoonsgebonden aftrek (HR 27 februari 2009, nr. 07/12914), moet volgens A-G Niessen ervan uit worden gegaan dat (naar vóór 30 december 2009 geldend recht) ook de schuld wegens toekomstige alimentatiebetalingen aan de gewezen echtgenoot tot aftrek in box 3 leidt. De conclusie strekt tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie.

Bron