Kinderen met de nationaliteit van een EU-lidstaat kunnen ook rechten ontlenen aan het EU-recht wanneer ze zelf geen gebruik hebben gemaakt van hun recht op vrij verkeer. Hun ouders met de nationaliteit van een derde land kunnen niet langer worden uitgezet wanneer deze kinderen van hen afhankelijk zijn. Dat blijkt uit het arrest van het EU-Hof in de zaak Ruiz Zambrano. Het EU-Hof zet hiermee een belangrijke stap in de uitbouw van zijn rechtspraak over de gevolgen van het EU-burgerschap voor ‘zuiver interne situaties’.
Het gaat hier om het arrest van het EU-Hof van 8 maart 2011 in de zaak C-34/09, Ruiz Zambrano tegen de Belgische Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening.
Het EU-Hof doet zijn uitspraak naar aanleiding van vragen van een Belgische rechter. Ruiz Zambrano heeft de Colombiaanse nationaliteit en heeft asiel gevraagd in België. Zijn kinderen zijn in België geboren en hebben op grond van de Belgische wetgeving de Belgische nationaliteit gekregen omdat de ouders niet de formaliteiten hadden vervuld om voor hen de Colombiaanse nationaliteit te verkrijgen. Omdat ze de Belgische nationaliteit hebben, hebben de kinderen tevens de status van 'burgers van de Unie' zoals bedoeld in artikel 20 van het EU-Werkingsverdrag. Het EU-Hof stelt vast dat de kinderen geen gebruik hebben gemaakt van hun recht van vrij verkeer omdat ze alleen maar in België hebben gewoond. Zij kunnen dus geen rechten ontlenen aan de gunstige bepalingen van richtlijn 2004/38 betreffende het vrij verkeer van burgers van de Unie. Het EU-Hof knoopt daarom voor het vervolg van zijn redenering rechtstreeks aan bij artikel 20 van het EU-Werkingsverdrag. Het benadrukt dat het hier gaat om jonge kinderen, die volledig afhankelijk zijn van hun ouders. Wanneer de ouders een verblijfsrecht wordt ontzegd en wanneer zij geen arbeidsvergunning krijgen lopen ze het risico niet over voldoende bestaansmiddelen te beschikken en zouden ze België moeten verlaten. Ook hun kinderen zouden dan worden verplicht het grondgebied van de Unie te verlaten. Daardoor zullen de kinderen in de feitelijke onmogelijkheid verkeren de rechten uit te oefenen die zij aan hun status van EU-burger kunnen ontlenen. Om die reden acht het EU-Hof het in strijd met artikel 20 van het EU-Werkingsverdrag dat België Ruiz Zambrano het recht van verblijf ontzegt en hem hem bovendien een arbeidsvergunnning weigert.
Eerder al berichtte het ECER over de conclusie van Advocaat-Generaal Sharpston in deze zaak. Zij stelde een veel radicalere anti-discriminatiekoers voor. Die weg bewandelt het EU-Hof nu niet, maar het lijkt veeleer aan te knopen bij de ernstige gevolgen voor de kinderen van hun volledige afhankelijkheid van hun ouders.
Het ECER merkt op dat het EU-Hof met dit arrest afwijkt van de opvattingen van de Europese Commissie en van alle regeringen van de lidstaten die in deze procedure waren betrokken. Zij waren allen van mening dat het EU-recht in dit geval geen gevolgen kon hebben, omdat het ging om een 'zuiver interne situatie', waarvan alle aspecten zich afspelen binnen één enkele lidstaat, en waarop geen regel van EU-recht van toepassing was.
Nederland kent niet de mogelijkheid dat kinderen die in Nederland geboren worden automatisch de Nederlandse nationaliteit kunnen krijgen, Dat betekent niet dat deze uitspraak helemaal geen betekenis zou hoeven te hebben voor Nederland. Welke gevolgen dit arrest heeft zal moeten worden onderzocht.
Bron