Noch op grond van de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 3.111, lid 1, van de Wet IB 2001 (weergegeven in onderdeel 4.5 van de conclusie van de Advocaat-Generaal), noch anderszins is er aanleiding om voor de beantwoording van de vraag of een schip duurzaam aan een plaats is gebonden in de zin van dit wetsartikel, een andere maatstaf aan te leggen dan voor de beantwoording van de vraag of een schip duurzaam aan een plaats is gebonden in de zin van artikel 221 van de Gemeentewet. Dit brengt mee dat het begrip "duurzaam aan een plaats gebonden" voor schepen moet worden opgevat als het hebben van een vaste ligplaats. De aanwezigheid van een zodanige vaste ligplaats kan blijken uit bijvoorbeeld een aansluiting op nutsvoorzieningen, maar in ieder geval is sprake van een vaste ligplaats als het gaat om een ligplaats waar het woonschip reeds ten minste een jaar met niet meer dan incidentele onderbrekingen aanwezig is (zie HR 20 september 2000, nr. 34153, LJN AA7150, BNB 2000/380 en HR 11 oktober 2000, nr. 33540, LJN AA7410, BNB 2000/381). Hieruit volgt dat de duur van het verblijf ter plekke een rol - zelfs een beslissende rol - kan spelen voor de beantwoording van de vraag of sprake is van een vaste ligplaats. Voorts is de omstandigheid dat een ligplaats slechts krachtens vergunning voor een beperkte tijd of zelfs slechts krachtens gedogen wordt ingenomen niet van belang, nu het aankomt op de feitelijke situatie (zie de evengenoemde arresten).
Bron