maandag 27 juni 2011

Schip wordt gebruikt voor zeilvaart: geen afdrachtvermindering

Ofschoon duidelijke aanwijzingen in die richting in de wetsgeschiedenis ontbreken, ligt het in de rede te veronderstellen dat de zeilvaart van de toepassing van de faciliteit is uitgezonderd vanwege het feit dat zeilschepen in het algemeen niet plegen te worden ingezet in de handelsscheepvaart doch ten behoeve van de pleziervaart, al dan niet voor commerciĆ«le doeleinden. Het is mogelijk dat zeilschepen, in afwijking van genoemde ervaringsregel, worden ingezet in het handelsverkeer. Dat betekent evenwel niet dat de uitzondering van artikel 1, eerste lid, letter h, onder 2°, van de WVA niet voor deze situatie zou gelden. De wettekst is immers duidelijk en doel en strekking van deze bepaling, zoals zij uit de wetsgeschiedenis blijken, dwingen geenszins tot een andere wetsuitleg.

Het Hof is van oordeel dat een schip wordt gebruikt voor de zeilvaart in de zin van voornoemde wetsbepaling, indien het geschikt is om te worden gebruikt voor de zeilvaart en de zeilvaart tevens de belangrijkste functie ervan is. Niettegenstaande het gebruik van de motor van het schip leidt het Hof uit de gedingstukken en de verklaringen ter zitting af dat het schip in de eerste plaats wordt gebruikt als zeilschip en dat de motor een ondersteunende functie heeft. Daar doet niet aan af dat het schip mogelijk, gemeten in tijdsduur of afstand, meer wordt voortgestuwd door motorkracht dan door zeilkracht. Evenmin doet daaraan af dat het schip is gecertificeerd als vrachtschip, nu de kwalificaties vrachtschip en zeilschip elkaar niet uitsluiten. Het Hof is derhalve van oordeel dat het schip wordt gebruikt voor de zeilvaart in de zin van artikel 1, eerste lid, letter h, aanhef en onder 2°, van de WVA.