De inburgeringsplicht voor Turkse staatsburgers in Nederland is in strijd met verschillende bepalingen van het associatierecht tussen de EU en Turkije.
De Raad komt aldus tot het oordeel dat uit de rechtspraak van het Hof geen andere conclusie kan worden getrokken dan dat de in de Wi neergelegde inburgeringsplicht voor Turkse staatsburgers die een beroep kunnen doen op artikel 41, eerste lid, van het Aanvullend Protocol dan wel op de artikelen 6, 7 of 13 van Besluit 1/80, in strijd is met die artikelen (in elk geval) voor zover het de onder 7.1.7 en 7.1.8 weergegeven gevolgen van de inburgeringsplicht betreft. Dat de inburgeringsplicht (ook) voor Turkse staatsburgers positieve effecten kan hebben voor hun integratie in de Nederlandse samenleving, kan niet leiden tot het oordeel dat de uit het associatierecht voor de lidstaten van de EU voortvloeiende juridische verplichtingen niet meer gelden.
Uit het onder 7.1 overwogene volgt dat de Raad het standpunt van appellanten dat de in de Wi neergelegde inburgeringsplicht niet valt binnen de werkingssfeer van het associatierecht, niet onderschrijft. De Raad vindt hiervoor ook steun in het arrest van het Hof van 29 april 2010, Commissie/Nederland, zaak C-92/07, overwegingen 67 tot en met 69. Daarin is tevens neergelegd dat de verschillende behandeling van Turkse staatsburgers en EU-burgers niet kan worden gerechtvaardigd op grond van de omstandigheid dat Turkse staatsburgers niet op even volledige wijze als EU-burgers in aanmerking komen voor het vrije verkeer van werknemers, de vrije vestiging of het vrije verrichten van diensten binnen de EU. Het andersluidende standpunt van appellanten onderschrijft de Raad daarom niet. De Raad komt aldus tot het oordeel dat ook sprake is van strijd met de verplichting tot gelijke behandeling van Turkse staatsburgers en
EU-burgers ingevolge artikel 9 van de Associatieovereenkomst en artikel 10, eerste lid, van Besluit 1/80.
Appellanten hebben ten slotte subsidiair aangevoerd dat niet gezegd kan worden dat het antwoord op de vraag of het aannemen van de inburgeringsplicht voor Turkse staatsburgers in strijd is met het associatierecht, niet buiten tot prejudiciële verwijzing nopende twijfel is. Uit het onder 7.1 en 7.2 overwogene volgt echter dat de Raad van oordeel is dat sprake is van een zogeheten acte éclairé, zodat er geen grond is voor het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof.
De conclusie is dat de rechtbanken terecht hebben geoordeeld dat betrokkenen gerekend moeten worden tot degenen die op grond van artikel 5, tweede lid, aanhef en onder d, (tot 26 juni 2008: e) van de Wi niet inburgeringsplichtig zijn, zodat de aangevallen uitspraken moeten worden bevestigd.
Bron