maandag 23 januari 2012

C-531/11 Strehl

Verzoekster is geboren in 1969. Zij meldt zich eind augustus 2006 als werkzoekende bij verweerster, het Duitse ‘UWV’, en vraagt een werkloosheidsuitkering aan. Het bedrag dat verzoekster wordt toegekend is een wettelijk geregeld fictief referentieloon omdat zij niet ten minste 150 dagen achtereen arbeid heeft verricht. Verzoekster is het met het bedrag niet eens: zij meent dat moet worden uitgegaan van het laatste door haar in Zwitserland verdiende loon. Maar dit bezwaar en het daaropvoglende beroep wordt afgewezen.

Verzoekster heeft tot 30 september 2005 in ZWI gewerkt. Dit heeft echter geen invloed op de uitkering omdat artikel 68 van Vo. 1408/71 zich daartegen verzet. Hierin staat dat de lidstaat voor de berekening van de uitkering kan uitgaan van het bedrag van het vroegere loon dat tijdens het laatste dienstverband op het grondgebied van die staat is genoten.

Verzoekster is echter van mening dat niet artikel 68, maar artikel 71 (grensarbeiders) van Vo. 1408/71 op haar van toepassing is omdat zij haar woonplaats in DUI heeft behouden. In ZWI bewoonde zij slechts een kamer. De verwijzende rechter meent dat verzoekster een ‘atypische grensarbeider’ is in de zin van artikel 71, lid 1, sub b, punt ii van de Vo, waardoor zij wel recht zou hebben op de door haar geëiste uitkering. Het Hof heeft eerder uitspraak gedaan over een uitkering aan een werkzoekende in een soortgelijke situatie in zaak 67/79, maar is toen niet toegekomen aan de vraag of voor de inaanmerkingneming van het in de lidstaat van arbeid ontvangen loon een rechtstreeks temporeel verband tussen het einde van de werkzaamheid in de andere lidstaat en de inschrijving als werkzoekende in de woonlidstaat dwingend vereist is.

Die vraag legt de verwijzende Duitse rechter alsnog aan het Hof voor:
“Dient artikel 68, lid 1, eerste volzin, van verordening (EEG) nr. 1408/71 aldus te worden uitgelegd dat het bevoegde orgaan van de woonlidstaat het loon dat een atypische grensarbeider (in de zin van artikel 71, lid 1, sub b, punt ii, van verordening nr. 1408/71) tijdens zijn laatste dienstverband in een andere lidstaat heeft ontvangen, bij de berekening van de uitkering in aanmerking dient te nemen, ook indien de betrokkene vervolgens in de woonlidstaat niet onmiddellijk een werkzaamheid uitoefent en zich daar pas 11 maanden na beëindiging van het dienstverband in de andere lidstaat als werkzoekend meldt”.