dinsdag 7 februari 2012

Keuze voor fiscaal partnerschap

Vaststaat dat belanghebbende in zijn aangifte in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen heeft verzocht om voor het gehele jaar 2004 als fiscale partner van zijn moeder te worden beschouwd, maar dat zijn moeder deze aangifte niet heeft medeondertekend. De moeder heeft geen aangifte inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen voor het jaar 2004 gedaan en heeft ook anderszins niet verzocht om voor heel 2004 als fiscale partner van belanghebbende te worden beschouwd. Op grond van een en ander is niet voldaan aan het wettelijke vereiste van een gezamenlijk verzoek om voor heel 2004 als fiscale partners te worden beschouwd als bedoeld in artikel 1.3 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001).

Bovendien heeft de Hoge Raad in zijn arrest van 28 april 2006 (LJN: AU3582, BNB 2007, 89) beslist dat moet worden aangenomen dat de gezamenlijke keuze voor kwalificatie als partner niet meer kan worden gemaakt in het geval dat, zoals te dezen, de aanslag van één van de beoogde fiscale partners reeds onherroepelijk is. Daarbij is niet van belang of het tijdig maken van een keuze al of niet consequenties zou hebben gehad voor de onherroepelijk vaststaande aanslag. Anders dan belanghebbende stelt, is de Hoge Raad niet op zijn voormelde beslissing teruggekomen.